4 Juni 2012
Iedere
productiefase, of iedere maatschappij of ander menselijk verschijnsel,
doorloopt een zogenaamd transformatieproces. Transities zijn
maatschappelijke transformatieprocessen, die tenminste één generatie
beslaan. In dit artikel wil ik aan de hand van zo’n transitie
aangeven, waar we met onze huidige maatschappij staan.
Kijkend naar de
kenmerken van de fasen waarin maatschappelijke transformatieprocessen
zich voltrekken, zou het heel goed kunnen, dat we nu aan het eind
van de zogenaamde derde industriële revolutie zitten. Transities
zijn doorgaans maatschappelijke transformatieprocessen, die tenminste één
generatie beslaan. Transities hebben de volgende eigenschappen:
- het betreft een
structurele verandering van de maatschappij, of een complex deelsysteem
daarvan;
- er is sprake
van op elkaar inwerkende en elkaar versterkende technologische,
economische, ecologische, sociaal-culturele en institutionele
ontwikkelingen op verschillende schaalniveaus;
- het is de resultante
van langzame veranderingen (ontwikkelingen in voorraden) en snelle
dynamiek (stromen).
Voorbeelden van historische transities zijn de demografische transitie
en de overgang van kolen naar aardgas, die een transitie in de energiehuishouding
impliceerde. Een transitie ligt niet bij voorbaat vast, omdat er
gedurende een veranderingsproces altijd sprake is van aanpassen aan,
leren van, en inspelen op nieuwe situaties. Een transitie is dus
geen wetmatigheid.
Vier transitiefasen
In het algemeen beschrijven transities de S-curve en zijn vier transitiefasen
te onderscheiden (zie ook figuur 1):
- een voorontwikkelingsfase
van dynamisch evenwicht waarin de status-quo niet zichtbaar verandert;
- een ‘take-off’-fase
waarin het veranderingsproces op gang komt, doordat de toestand
van het systeem begint te verschuiven;
- een versnellingsfase
waarin zichtbaar structurele veranderingen plaatsvinden
door een cumulatie van op elkaar inspelende sociaal-culturele,
economische, ecologische en institutionele veranderingen; in de
versnellingsfase is sprake van collectieve leerprocessen, diffusie
en processen van inbedding;
- een stabilisatiefase
waarin de snelheid van maatschappelijke verandering afneemt en
al lerend een nieuw dynamisch evenwicht wordt bereikt.
Ook een productlevenscyclus (en een bedrijfslevenscyclus) beschrijft
een S-curve. In dit geval is er nog een vijfde fase: de aftakelingsfase,
waarin kosten stijgen door overcapaciteit en waarin een producent
zich uiteindelijk terugtrekt uit de markt.

Figuur
1: Er zijn over het algemeen vier fasen in een transitie,
die zich het beste laten visualiseren middels een S-curve.
Het spreidingsproces van transities
Het spreidingsproces van transities over samenlevingen wordt beinvloed
door een aantal factoren:
- Fysieke barrières;
oceanen, woestijnen, gebergten, moerassen, meren
- Socio-culturele
barrières; cultuurverschillen, taalverschillen
- Religieuze
barrières
- Psychologische
barrières
De neolithische
transitie is voor de mensheid de meest ingrijpende transitie geweest.
Deze eerste landbouwrevolutie (10.000 – 3000
v chr) vormde de overgang van een jager-verzamelaars samenleving
(20-50 personen) in nabijheid van water met een rondtrekkend bestaan,
naar een samenleving van mensen die in nederzettingen woonden en
aan landbouw en veeteelt deden. Er ontstond een hiërarchische
samenleving. Gezamenlijke organisaties beschermden en
bestuurden nu de interesses van het individu. Het (verplicht)
uitvoeren van taken voor de gemeenschap zou gezien kunnen
worden als het begin van een belastingstelsel. Er kwamen voorraden
en voorraadbeheer, er ontstond handel, ongelijkheid en diefstal.
Er ontstonden vormen van rechtspraak om conflicten tussen en binnen
de nederzettingen op te lossen en oorlog werd een middel
om belangen te behartigen.
De neolithische
revolutie begon eerst op die plaatsen die daar het
gunstigst voor waren wat betreft klimaat en voedselbronnen.
In zeer koude, zeer hete of droge gebieden bleef men langer als
jager-verzamelaar leven. Er worden meerdere mogelijke plaatsen
als bakermat geopperd: de Vruchtbare Sikkel,
Zuid-Anatolië , China in de bekkens van de Jangtsekiang en Gele
Rivier, de Indusvallei, het huidige Peru in het Andes-gebergte,
Midden-Amerika in het huidige Mexico. Vervolgens verspreidde
ze zich vanuit deze plaatsen over heel de wereld.
De aanvang van
het neolithicum en het spreidingsproces verschilt van regio tot
regio. In sommige regio's zijn deze veranderingen relatief snel
gegaan en sommige auteurs menen dan ook te kunnen spreken van
een neolithische revolutie. Tegenwoordig spreekt men in de geschiedwetenschap
eerder van een neolithische evolutie. Het is namelijk gebleken
dat deze overgang in veel regio's veel langer duurde en geleidelijker
verliep dan men aanvankelijk dacht.
Drie ingrijpende transities
Als we naar de laatste twee eeuwen kijken, hebben er drie ingrijpende
transities plaatsgevonden:
1. De eerste industriële
revolutie
De eerste industriële
revolutie duurde van circa 1780 tot circa 1850 en concentreerde
zich in de katoenindustrie. Kenmerkend was de overgang van kleinschalig
handwerk naar gemechaniseerde productie in fabrieken. Grote aanjager
in dit overgangsproces was de stoommachine, die door toepassingen
in de spoorwegen (stoomtrein) en de scheepvaart (stoomschip) tevens
zorgde voor een revolutie in het transportwezen. Omdat stoommachines
op steenkool liepen en van ijzer werden gemaakt, kwamen ook de
steenkoolmijnbouw, de ijzerindustrie en de machinebouw tot grote
bloei.
Groot-Brittannië was het eerste land dat met de industriële
revolutie te maken kreeg. De stoommachine werd in het begin vooral
gebruikt om de waterpompen van mijnen aan te drijven. Een grote verandering
voltrok zich in de textielnijverheid. Door de bevolkingstoename en
de koloniale expansie begon de vraag naar katoenen producten snel
te stijgen. Omdat de spinners en de wevers de grote vraag niet konden
bijhouden, was dringend behoefte aan een door een krachtbron aangedreven
weefgetouw, het power loom. Er werd een weefgetouw met halfautomatisch
schietspoel uitgevonden, en er kwam een machine waarmee je meerdere
draden tegelijk kon spinnen. Deze ‘Spinning Jenny’, in
1764 bedacht door James Hargreaves, werd in 1779 gevolgd door een
sterk verbeterd weefgetouw; ‘Mule Jenny’. In het begin
werden ze nog met waterkracht aangedreven, maar na 1780 was de stoommachine
zover verbeterd dat deze ook in de fabrieken als aandrijving gebruikt
kon worden. Er kon nu veel meer textiel worden geproduceerd. Dat
was ook nodig, want in 1750 had Europa 130 miljoen inwoners, maar
in 1850 was dit aantal al verdubbeld, mede door de landbouwrevolutie.
(Deze liep samen met de industriële revolutie; er werd het kunstmest
ingevoerd, drainagesystemen werden ontworpen en de trekos
werd door het paard vervangen. Verreweg het belangrijkste
onderdeel van deze landbouwrevolutie was de verandering
van zelfvoorziening naar productie voor de markt.)
Al die mensen
moesten kleding hebben. Dankzij de machines werd er sneller en
goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De textielindustrie
is een van de aanjagers van de industriële
revolutie geweest.
België wordt het eerste geïndustrialiseerde land in continentaal
Europa. België bevindt zich "in staat van industriële
revolutie" onder het bewind van Napoleon Bonaparte. De industiële
centra waren Gent (katoen- en vlasindustrie), Verviers
(gemechaniseerde wolproductie), Luik (ijzer, steenkool,
zink, machinebouw en glas), Bergen en Charleroi. Op het
vasteland volgden wat later Frankrijk en Pruisen. In Amerika volgden
ook al snel de noordoostelijke staten van de Verenigde Staten. Na
1870 industrialiseerde Japan als eerste niet-Westers land. Pas omstreeks
1880 volgde de rest van Europa.
Het begin van
het einde van deze revolutie was 1845 toen Friedrich Engels, zoon
van een Duitse textielbaron, de omstandigheden waarin de arbeiders
van Engeland leefden en werkten, beschreef in ‘De
toestand van de arbeidersklasse in Engeland’.
2. De tweede industriële
revolutie
De tweede industriële revolutie duurde van circa 1870 tot omstreeks
1930. Kenmerkend was de verdergaande mechanisatie door de invoering
van de lopende band, de vervanging van ijzer door staal en de ontwikkeling
van de chemische industrie. Daarnaast werden steenkool en water vervangen
door olie en electriciteit en kwam de benzinemotor tot ontwikkeling.
Terwijl de eerste industriële revolutie op gang werd gebracht
door (soms toevallige) uitvindingen van amateurs, werd de tweede
industriële revolutie juist op gang gebracht door ondernemingen
die veel geld investeerden in professioneel onderzoek (‘research’)
naar nieuwe producten en productiemethoden. Om over voldoende
kapitaal te beschikken, fuseerden kleine bedrijven tot
grootschalige ondernemingen, die werden geleid door professionele
managers. Ook werden aandelen uitgegeven. Deze ontwikkelingen
leidden tot de overgang van het traditionele familiebedrijf naar
de naamloze vennootschappen en multinationals.
De Verenigde
Staten (VS) en Duitsland liepen voorop in de tweede Industriële Revolutie. In de VS werd vroeg geëxperimenteerd
met het lopende band systeem, met name in de auto-industrie. Daarnaast
was het land koploper in de productie van staal en olie. In Duitsland
kwamen de elektriciteitsindustrie en de chemische industrie tot grote
bloei. Elektriciteitsgiganten waren de bedrijven AEG en Siemens.
Duitse chemische bedrijven als AGFA en BASF hadden een leidend aandeel
in de productie van synthetische verfstoffen, fotografische en plasticproducten
(rond 1900 beheersten zij zo'n 90% van de wereldmarkt). In het spoor
van deze twee industriële grootmachten (die al snel Groot-Brittannië voorbijstreefden)
volgden Frankrijk, Japan en Rusland. Na de Tweede Industriële
Revolutie maakten steeds meer landen, op steeds meer continenten,
een meer of minder bescheiden industriële ontwikkeling door.
In sommige gevallen werd de industrialisatie door de
staat ter hand genomen, niet zelden met grove dwangmiddelen
- denk aan de vijfjarenplannen in de Sovjetunie.
De revolutie
eindigde na de ‘roaring twenties’ in Amerika,
met de beurskrach in New York in 1929. De gevolgen waren
desastreus, met als dieptepunt de Tweede Wereldoorlog.
3. De derde industriële
revolutie
De derde industriële revolutie begon in circa 1940 en loopt
nu op zijn einde. De Verenigde Staten en Japan hebben een leidende
rol in de ontwikkeling van computers gespeeld. In de VS werd gedurende
de Tweede Wereldoorlog koortsachtig gewerkt aan militaire toepassingen
van computertechnologie. Na de oorlog breidde het Amerikaanse ruimtevaartprogramma
het aantal toepassingen uit. Japan specialiseerde zich in de ontwikkeling
van de industriële toepassing van de computer: de robot.
Vanaf 1970 zette
de derde industriële revolutie zich ook in
Europa voort.
De derde industriële revolutie was vooral een gevolg van een
enorme ontwikkeling van de micro-electronica; electronische
rekenmachines, digitale tellers en horloges, de compactdisc,
de streepjescode enz.
De versnellingsfase is omstreeks 1980 begonnen door de komst van
de microprocessor. De ontwikkeling van de microprocessor legt tevens
de basis van de evolutie en de doorbraak van de informatica. Deze
had gevolgen op vele terreinen: voor het rekenen, de tekstverwerking,
het tekenen en grafisch ontwerpen, het regelen en besturen van machines,
het simuleren van processen, het vastleggen en verwerken van informatie,
het geldverkeer en de telecommunicatie. De communicatiefase groeit
in het begin van het nieuwe millennium enorm: de digitale revolutie.
Volgens veel analisten is nu een nieuw tijdperk aangebroken: dat
van de informatiemaatschappij of diensteneconomie. Hierbij is de
verwerving en kanalisering van informatie belangrijker geworden dan
de pure productie. Intussen speelt de computer- en de communicatietechnologie
een onvervangbare rol in alle delen van de wereld. Steeds meer landen
zijn afhankelijk van de dienstverlenende sector en minder van landbouw
en industrie.
Gevolgen
van de 3 industriële revoluties
De 1e (en de 2e
revolutie) veranderde een agrarische samenleving naar een industriële samenleving, waarin de mechanisatie de
mens (uiteindelijk) ontlastte van lichamelijke arbeid. De ambachtelijke
nijverheid kon niet concurreren met de fabrieken die producten van
dezelfde, of zelfs betere kwaliteit op de markt brachten tegen een
lagere prijs. Het gevolg was dat veel ambachtelijke bedrijven failliet
gingen en de voormalig werknemers in de industrie aan het werk gingen.
De gevolgen van de industrialisatie waren te zien in het proces van
de snelle urbanisatie van voorheen relatief kleine dorpen en stadjes
waar de nieuwe fabrieken kwamen. Deze veranderden in een vuile en
ongezonde industriesteden. Toch stroomden de mensen van het platteland
er noodgedwongen massaal heen voor werk. Er ontstond daardoor een
nieuwe sociale klasse: de arbeiders, oftewel het industriële
proletariaat. Ze woonden in overbevolkte krottenwijken
in slechte behuizing met nauwelijks sanitair. De gemiddelde
levensverwachting was er laag, en de kindersterfte hoog.
De elite accepteerde het vuil van de fabrieken als de onontkoombare
prijs voor hun succes. De schoorstenen waren symbolen van economische
macht, maar ook van maatschappelijke ongelijkheid. Deze maatschappelijke
ongelijkheid zie je na elke revolutie terug. De kloof
tussen de onderkant en de bovenkant van de samenleving wordt erg
groot.
Uiteindelijk
volgen er altijd tegenreacties om deze kloof weer kleiner te maken.
Er kan worden gesteld dat de Industriële
revoluties de voorwaarden hebben geschapen voor een maatschappij
zonder of met weinig armoede.
De 3e revolutie
veranderde een industriële samenleving
naar een dienstensamenleving. Waar de mechanisatie
de mens ontlastte van lichamelijke arbeid, ontlastte de computer
hem van geestelijke arbeid. Deze revolutie veroorzaakte het meer
en meer overbodig worden van lagere functies in de industrie en
het ontstaan van totaal nieuwe functies in de dienstensector.
Industriële
revoluties en beursindexen
Halverwege de
2e Industriële revolutie, in 1896,
werd de Dow Jones Industrial Average voor het eerst
gepubliceerd. De Dow Jones Industrial Average (DJIA) index is
de oudste aandelenindex van de Verenigde Staten. Dit was een rechtstreeks
gemiddelde van de koersen van twaalf aandelen.
Een select clubje
journalisten van The Wall Street Journal beslist welke bedrijven
deel uitmaken van invloedrijkste beursindex ter wereld. Integenstelling
tot de meeste andere indices is de Dow een prijsgewogen index.
Dat betekent dat aandelen met een hoge absolute beurskoers een
grote stempel drukken op de beweging van de index.
De S&P index is een marktwaarde gewogen index. De 500 grootste
Amerikaanse bedrijven gemeten naar hun marktkapitalisatie zijn opgenomen
in deze index, die samengesteld wordt door de kredietbeoordelaar
Standard & Poor's.
De BEL 20 is de belangrijkste Belgische beursindex. Hij bestaat uit
maximaal 20 aandelen die gekozen worden door de marktautoriteiten
van Euronext, op basis van een aantal criteria. Eerst en vooral dienen
ze een voldoende hoge marktkapitalisatie te bezitten. Daarna worden
de aandelen gerangschikt volgens hun vrije marktkapitalisatie. Vervolgens
worden naast de marktkapitalisatie ook nog andere criteria zoals
de liquiditeit en de verhandelbaarheid in aanmerking genomen, om
de vier overige plaatsen in te vullen. Uit een gewogen gemiddelde
van de koersen van deze aandelen wordt de stand van de BEL 20 berekend.
Wat zegt een beursindex
zoals DJIA, S&P 50 en
BEL 20 eigenlijk?
In veel grafieken
is de y-as een vaste eenheid, zoals kg, meter, liter of euro.
Bij deze index-grafieken
lijkt dit ook zo, want op de y-as wordt de eenheid
in punten gebruikt. Niets is echter minder waar! Een index-punt
is nl. geen vaste eenheid in de tijd en je mag er dan ook historisch
gezien geen enkele betekenis aan hechten.
Een index wordt
berekend aan de hand van een mandje aandelen. Bij elke index gebeurt
dat volgens een bepaalde formule en de uitkomst van de formule
levert een aantal punten op. Een grote fout die veel mensen maken
is, dat er waarde gehecht wordt aan deze grafieken. Deze grafieken
zijn echter erg bedriegelijk.

• Een
index wordt berekend aan de hand van een mandje aandelen.
Bij elke index gebeurt dat volgens een bepaalde formule en
als uitkomst krijg je dan een aantal punten. Dat mandje van
aandelen wordt bij elke index echter regelmatig veranderd.
Voor de nieuwe periode wordt dus de waarde van een ander mandje
aandelen gemeten. Het is natuurlijk vreemd dat je de verschillende
mandjes als zelfde eenheid projecteert.
Na een periode van 25 jaar wordt de waarde van een
mandje appels vergeleken met de waarde van een
mandje peren. Er zitten momenteel nog maar 6 van de 30 oorspronkelijke
bedrijven in de Dow Jones in vergelijking met
het tijdstip (1979) dat de versnellingsfase van de laatste revolutie
begon.
• Het
wordt nog vreemder als bij elke overgang van mandjes
ook nog eens de formule waarmee de index wordt
berekend, verandert. Dit gebeurt omdat de index, de uitkomst
van de twee formules van beide mandjes, op het moment van verandering
dezelfde uitkomst moet opleveren. De index-grafiek van de twee
tijdsperioden moet per slot van rekening wel op elkaar aansluiten.
Bij de Dow Jones bijvoorbeeld, worden alle koersen van de dertig
Dow-aandelen bij elkaar opgeteld en vervolgens door een getal
gedeeld. Door wijzigingen in het mandje en door aandelensplitsingen
wordt de deler telkens veranderd. De deler bedraagt momenteel
0,132319125, maar in 1985 was de deler nog meer dan 1. Een
indexpunt in de ene periode wordt dus op een hele andere manier
berekend dan in een andere periode.
Dow1985
= (x1 + x2 + ........+x30) / 1
Dow2009 = (x1 + x2 + ........ + x30) / 0,132319125
In de jaren
90 van de vorige eeuw zijn er veel aandelensplitsingen geweest.
Om de breuk gelijk te houden is zowel de teller als de noemer
van de breuk veranderd. Een koersstijging van 1 dollar
van het mandje in 2009 levert dus de facto 7,5 meer indexpunten
dan in 1985. Omdat er in de jaren 90 nogal wat aandelensplitsingen
zijn geweest, is dit waarschijnlijk de oorzaak waarom de Dow
Jones in deze periode bijna exponentieel is gestegen.
Momenteel
staat de Dow op 9665. Bij het hanteren van de formule uit 1985
zou de index nu op 1279 staan.
• Het meest vreemde is natuurlijk de steeds wijzigende samenstelling
van het mandje. Over het algemeen is het zo dat bij het wijzigen
van het mandje, bedrijven die in een stabilisatiefase of de aftakelingsfase
van hun cyclus zitten, uit het mandje gehaald worden. Bedrijven die
in de ‘take-off’-fase of versnellingsfase van hun cyclus
zitten worden toegevoegd. De kans dat de index na de wijziging van
het mandje en de formule stijgt, is dan natuurlijk vele malen groter
dan dat de index gaat dalen. Daar hoef je geen kansberekening op
los te laten, met name als deze methode wordt toegepast in de versnellingsfase
van een transitie. Vanaf 1980 zijn 7 ICT-bedrijven ( 3M, AT&T,
Cisco, H P, IBM, Intel, Microsoft), de motoren van de laaste revolutie
toegevoegd aan de Dow Jones en 5 financiële instellingen,
deze spelen een belangrijke rol bij elke transitie.
In principe
is er een piramidespel gecreëerd. Dit gaat goed
zolang er bedrijven die in de ‘take-off’-fase of versnellingsfase
van hun cyclus zitten, worden toegevoegd. Aan het eind
van een transitie zullen dit er echter steeds minder
worden.

Figuur 2: Het
Koersverloop van de Dow Jones over de laatste twee industriële
revoluties. De laatste jaren is de koersstijging in een
enorme versnelling terechtgekomen.
Zullen Beursindexen verder dalen?
Het bepalen van
de beursindexwaarden zoals hierboven beschreven en de weergave
van indexen in historische grafieken zijn bruikbare indicatoren
om aan te geven in welke fase een industriële
revolutie zich bevindt.

De derde industriële
revolutie bevindt zich duidelijk in de verzadigings- en aftakelingsfase.
Deze fase kenmerkt zich, doordat de markt verzadigd is en de concurrentie
toeneemt. Alleen de sterkste bedrijven kunnen de concurrentie
aan, of nemen de concurrentie over (denk aan de overnames die
Oracle en Microsoft de laatste jaren hebben gedaan). Onder de
motorkap is er in ICT-land relatief weinig technisch nieuws meer
onder de zon, alhoewel de marketingmachines vanuit Amerika ons
anders willen laten geloven.
In de voorontwikkelingsfase
en take-off fase van een transitie ontstaan er veel
nieuwe bedrijven. Het is een divergerend proces. Met
name financiële
instellingen spelen een belangrijke rol. Er is in
deze fase per slot van rekening veel financiering nodig. De grafiek
van salarissen van de financiële sector vertoont dan ook
dezelfde s-curves als van beide revoluties:

Beleggers worden euforisch bij het horen van fusies en overnames.
In feite geven fusies en overnames de convergerende processen weer
aan het einde van een transitie. Objectief gezien is elke fusie of
overname een vermindering van economische activiteiten. Dit wordt
pijnlijk duidelijk als we naar de werkloosheidscijfers van diverse
samenlevingen kijken.
Nieuwe industriële revoluties ontstaan door nieuwe ideeën,
uitvindingen en ontdekkingen, ofwel nieuwe kennis of inzichten. Ook
hier hebben we als mensheid een verzadigingspunt bereikt. Er zullen
steeds minder bedrijven komen in de ‘take-off’-fase of
versnellingsfase die de bedrijven in de stabilisatiefase
of de aftakelingsfase in het indexenmandje kunnen vervangen.

In bovenstaande
grafiek is de koers/inkomsten verhouding zichtbaar
over de laatste 2 industriële revoluties. Aan het einde van
de 2e industriële
revolutie in 1932 zakte deze index naar 5. Momenteel
zitten we nog op 15. De koersen kunnen dus nog een
factor 3 dalen.
Herhaalt de geschiedenis zich?
De mensheid wordt
momenteel geconfronteerd met dezelfde problemen als aan het eind
van de 2e industriële revolutie, zoals dalende
beursindexen, sterk oplopende werkloosheid, torenhoge schulden van
bedrijven en overheden en de slechte financiële posities van
banken.

Transities worden
geïnitieerd door uitvindingen en ontdekkingen,
dus nieuwe kennis van de mens. Nieuwe kennis heeft weer invloed op
de 4 andere componenten in een samenleving. Er worden momenteel weinig
nieuwe uitvindingen of ontdekkingen gedaan. Dus de kans op korte
termijn op een nieuwe industriële revolutie is niet erg groot.
De historie heeft
geleerd dat 5 pijlers voor een stabiele samenleving onontbeerlijk
zijn.

Figuur: De 5 pijlers voor een stabiele samenleving
Aan het eind van
elke transitie komt de pijler welzijn in het gevaar. Dit hebben
we na elke industriële revolutie
kunnen constateren.
De pijler “WELZIJN” van
een samenleving dreigt ook nu weer om te vallen.
De historie heeft
geleerd dat het omvallen van de pijler “WELZIJN” altijd
resulteert in revolutie. Door de grote werkloosheid na de 2e industriële
revolutie is er door veel samenlevingen een nieuwe transitie geïnitieerd,
nl. het creëren van een oorlogseconomie. Deze economie bloeide
m.n. in de periode 1940 – 1945.
Samenlevingen zullen ook nu weer een keuze moeten maken welke transitie
zal worden ingezet. Wie geen kennis heeft van het verleden, heeft
geen toekomst.
- Wim Grommen
Bronvermelding:
- Transities & transitiemanagement,
casus van een emissiearme energievoorziening, Prof.
dr. ir. Jan Rotmans e.a.
- Geschiedenis
Werkplaatssite van Wolters-Noordhoff.
Copyright © 2012
Wim Grommen.
Deze informatie mag alleen in z'n geheel en ongewijzigd
worden gekopieerd en verspreid met inbegrip van deze
copyright-vermelding.