7 februari
2006
15-09-2005 • De
Tweede Kamer debatteert vanmiddag over de inmiddels beruchte zaak
rond de Schiedammer Parkmoord. De SP zet grote vraagtekens bij
de wijze waarop minister Donner met de kwestie is omgesprongen
en twijfelt of hij de juiste persoon is om aan de misstanden een
einde te maken.
Jan de Wit |
Na de moord
op een klein meisje en poging tot moord op haar vriendje werd
een verdachte gepakt, berecht en veroordeeld tot een zeer zware
gevangenisstraf en TBS. Later, na een bekentenis van de echte
dader, bleek dat de verkeerde man was opgesloten. Naar nu blijkt – vooral
dankzij naspeuringen van journalisten - is rond deze
zaak fout op fout gemaakt. Er zijn bewuste keuzes
gemaakt die de rechtsgang hebben gefrustreerd. En het gaat niet
om een incident: er is een structureel probleem blootgelegd
en het vertrouwen in de rechtsstaat is ernstig geschonden.
Namens de SP
voert justitiespecialist Jan de Wit het woord: “De
minister heeft tot nog toe geen blijk gegeven van enig
gevoel voor urgentie. Dat maakt dat mijn fractie twijfelt
of hij de bereidheid en de daadkracht heeft om aan de misstanden
een einde te maken. De minister moet ons ervan overtuigen
dat hij daartoe in staat is.”
Lees hier de volledige bijdrage van Jan de Wit in de Eerste
termijn:
Bij alle commotie over deze moordzaak zijn we geneigd te vergeten
dat het hier om mensen gaat. Over het slachtoffer Nienke, over
haar ouders, over Maikel, over zijn ouders en de onschuldig veroordeelde
verdachte B. En natuurlijk hun families. Het debat van vandaag
zal hen misschien bizar voorkomen maar ik vind het nodig dat de
zaken gezegd worden die gezegd moeten worden.
Van politici
mag worden verwacht dat ze spreken wanneer er ontzetting en
verwarring heersen in de samenleving. Welnu, er is in deze zaak
sprake van een rechterlijke dwaling. Dat is buitengewoon ernstig
voor een rechtsstaat die Nederland pretendeert te zijn. De minister
stelt in zijn brief dat de rechterlijke dwaling waardoor B.
ten onrechte vier jaar vastzat ‘het gevolg is van een opeenstapeling
van elkaar versterkende onzorgvuldigheden en beoordelingsfouten.’ Hij
stelt daarnaast ook dat ‘van het opzettelijk achterhouden
van bewijs en gegevens teneinde een onschuldige veroordeeld te
krijgen, geen sprake is geweest.’ Volgens de SP-fractie zijn
beide conclusies te gemakkelijk en worden zij niet of
niet volledig gedragen door de feiten in deze zaak.
Na bestudering
van het uitvoerige onderzoeksrapport en de brief van de minister
moet ik constateren dat ‘onzorgvuldigheden
en beoordelingsfouten’ wel erg verhullende termen zijn voor
misslagen die zijn voortgekomen uit een bewust gekozen opstelling
van het OM, die niet gericht was op waarheidsvinding maar op het
verkrijgen van een veroordeling. De samenhang tussen de verschillende
zogenaamde fouten is te groot om van slordigheden te kunnen spreken.
Na de bekentenis van Kees B. is het onderzoek geheel en al op hem
gericht gebleven óók nadat hij zijn bekentenis had
ingetrokken. Dit is opzettelijk gebeurd.
Zo wordt in
de hoofdconclusies van het rapport gesteld: ‘de
zaaksofficier heeft na de bekentenis van Kees B. te zeer gekozen
voor een daadkrachtig afwerken van de zaak in plaats van voor een
objectieve, kritische doordenking van een en ander. Er is bewust
voor gekozen om geen andere onderzoeksrichtingen meer uit te werken.’ Bovendien
is het aanwezige bewijsmateriaal zo geselecteerd en gepresenteerd,
dat de conclusies slechts in één richting konden
gaan, in de richting van één dader: Kees B.
Het meest schrijnende
voorbeeld hiervan is Maikel. Hij is op een schandalige en ontoelaatbare
manier verhoord, een minderjarige van 11 jaar nota bene. Maar
ook de manier waarop met de verklaringen van Maikel is omgegaan.
Zijn beschrijving van de dader werd ongeloofwaardig geacht,
omdat die niet overeenkwam met het uiterlijk van Kees B. Onderzoeker
Posthumus concludeert in paragraaf 6.3 van zijn rapport: ‘door
wezenlijke onderdelen van Maikels verklaringen terzijde te schuiven,
kon Kees B. in de daderrol worden gebracht en gehouden.’ Het
OM heeft bovendien wel degelijk bewijs en gegevens achtergehouden.
Ik verwijs hier naar conclusie 9.1.3 van het onderzoek, waarin
wordt gesteld dat het eindproces-verbaal en het relaasproces-verbaal ‘eenzijdig
en onvolledig zijn’.
Daarnaast is
er de inmiddels veelbesproken manier waarop met het technisch
bewijs is omgegaan. Het NFI twijfelt over de betrokkenheid van
B. en vraagt, voor het eerst ooit, via de PG een gesprek aan
met de zaaksofficier. Tijdens dit gesprek maken de twee betrokken
NFI-medewerkers hun twijfels kenbaar. Ook in de appèlfase
heeft zo’n gesprek plaats. Zowel de rechtbank als het Hof
krijgt echter niets te horen over de twijfels van het
NFI: de zaaksofficier en de AG doen niets met deze informatie.
De AG is er zelfs niet onrustig door geworden, zo blijkt
uit het rapport. Terecht constateert Posthumus dat deze twijfel
aan de rechter had moeten worden voorgelegd, maar dat dit niet
is gebeurd. Ik kan niet anders dan constateren dat er dus wel degelijk
gegevens zijn achtergehouden.
Het lijdt geen twijfel dat in ieder geval de officier van justitie
in deze zaak overtuigd is geweest van de schuld van Kees B. De
Advocaat-Generaal in hoger beroep was kritischer over het dossier,
maar stelt uiteindelijk ook dat Kees B. het misdrijf had begaan.
Dus inderdaad, er is niet bewust aangestuurd op het veroordelen
van iemand van wie men bij het OM wist dat hij onschuldig was.
Nee, er is bewust gewerkt in de richting van de ene verdachte,
dat was de dader. De gang van zaken in dit dossier wijst op structurele
misstanden binnen het OM.
We zien nu wat
er kan gebeuren als het OM zich opstelt als ‘crimefighter’ en
niet objectief en op afstand tegen een zaak aankijkt: hoe dan ook
moet er een verdachte veroordeeld worden. Dat is niet de rol van
het OM in ons rechtssysteem. Waarheidsvinding, daar gaat het om.
Het OM moet de rechter én de verdediging op zo’n manier
informeren dat de rechtbank in staat is de zaak goed te beoordelen
en de advocaat de belangen van zijn cliënt naar behoren kan
behartigen.
De aanbevelingen
die de minister nu overneemt spreken wat dit betreft boekdelen.
Tegenspraak organiseren, vergroten van de kennis bij officieren
van justitie op forensisch technisch gebied, en technisch rechercheren,
het gebruik van audiovisuele middelen. Het is een teken aan
de wand dat dit anno 2005 nog moet worden “aanbevolen”.
Het zou immers vanzelfsprekend moeten zijn dat de politie, maar
meer nog het OM, áltijd kritisch en open naar een opsporingsonderzoek
en het bewijsmateriaal dat daaruit voortkomt kijkt. Dit
beeld wordt nog eens bevestigd door het feit dat niemand
bij het OM, in al die vier jaren dat Kees B. vastzat, ooit intern
of extern op een serieuze manier twijfel heeft geuit over de schuld
van B.
Als we bedenken
dat ruim 700 functionarissen van politie, het OM – onder
wie de AG in deze zaak - en rechterlijke macht tussen
2001 en 2004 lezingen van het NFI hebben bijgewoond
waarbij deze zaak als voorbeeld werd gebruikt en dat niemand
ook maar ooit op het idee is gekomen om hierover aan de bel
te trekken (behalve dan recent politiefunctionaris Timmerman)
dan is dat ronduit verbijsterend. Wat is dat voor een zwijgcultuur
waar kennelijk niemand zijn mond open durft te doen? Scoren
en zwijgen, dat is kennelijk de cultuur.
Gelet op die
constatering is de opstelling van de minister van Justitie in
deze zaak nauwelijks te begrijpen. Zijn eerste reactie op de
uitzending van Netwerk was ronduit bagatelliserend. In de Volkskrant
van 9 september zei hij: ‘Als er iets is misgegaan
in deze zaak, is het juist de volle druk van de media op iets dat
rustig overleg vergt.’ Waardoor vooral de schuld zoals zo
vaak bij de brenger van de boodschap werd gelegd.
Over de rol
van de minister zijn nog veel vragen open. In feite heeft de
minister niets gedaan tussen de 2002 en 2004. Ondanks een brief
van de veroordeelde uit oktober 2002 aan de minister-president
en ondanks het alarmerende rapport van prof. Van Koppen uit
januari 2003 waarvan de minister kennis heeft kunnen nemen.
Volstrekt onbegrijpelijk is het dat de minister in zijn brief
concludeert dat hij “geen
aanwijzingen heeft om te vermoeden dat soortgelijke dwalingen als
in deze zaak zich vaker hebben voorgedaan”. Waarom moeten
dan de aanbevelingen van de heer Posthumus in zijn geheel
worden overgenomen en in de politie en in het hele OM
worden doorgevoerd?? Ik noem hier verder de Puttense moordzaak.
Maar de afgelopen dagen hebben politiemensen, advocaten en wetenschappers
er op gewezen dat de praktijken die in deze zaak nu naar buiten
zijn gekomen naar hun stellige mening vaker voorkomen. En dan heb
ik het over tunnelvisie (zie in dit verband de Enschedese vuurwerkramp)
, onvolledige dossiers, ongelijke kansen voor de verdediging. Ik
ben hier niet zo stellig in als de minister en ik vraag hem of
hij bereid is hiernaar een onderzoek te laten doen.
Dat de minister de aanbevelingen van het onderzoeksrapport overneemt,
acht ik vanzelfsprekend. Maar de misstanden waarover we nu spreken
hebben wel plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van de
minister. En daarom is het de vraag of het herstel van het geschonden
vertrouwen bij deze minister in goede handen is. Er moet door de
minister en de top van het OM krachtig en eenduidig afstand worden
genomen van de crimefighters-mentaliteit en de prestatiegerichtheid.
We zien tot wat voor ellende die houding kan leiden:
ernstige fouten met vergaande gevolgen. Ik constateer
dat ‘fouten’, ‘slordigheden’ volstrekt
ontoereikende termen zijn om te beschrijven wat er in
deze zaak allemaal is misgegaan. Het OM heeft bewust
twijfel rond het bewijs en zelfs ontlastend bewijs niet aan de
rechter voorgelegd. Dat zij dat deden in de veronderstelling dat
Kees B. de moordenaar was maakt dat niet minder ernstig.
Er is sprake
van een verkeerde mentaliteit binnen het OM. De kans dat dat
tot meer justitiële dwalingen leidt
en heeft geleid is aanzienlijk. Mijn fractie neemt
deze kwestie zeer hoog op. Het OM is een peiler van onze rechtstaat
en daar moeten we op kunnen bouwen. De behandeling van de Schiedammer
parkmoord trekt de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid
van het OM in twijfel. Daarmee is de rechtstaat in het geding
en dat raakt ons allen.
Niemand die het onderzoeksrapport in deze zaak heeft gelezen kan
zich onttrekken aan het menselijk leed dat het OM, door te falen
in haar taak, heeft veroorzaakt. Het is goed ons te realiseren
dat dit, als wij nu geen actie ondernemen, weer kan en zal gebeuren.
De minister heeft tot nog toe geen blijk gegeven van enig gevoel
voor urgentie. Dat maakt dat mijn fractie twijfelt of hij de bereidheid
en de daadkracht heeft om aan deze misstand een einde te maken.
De minister moet ons ervan overtuigen dat hij daartoe in staat
is.